Ingezonden

Het geluid is er altijd het eerst. Een spaak die breekt, een band die klapt, remmen die om hun moeder schreeuwen.

Door Thijs Zonneveld

Dan zie je ze pas: de renners die zich voor je neus ophopen. De paniek slaat toe. Je hersenen jagen een stoot adrenaline door je onderbuik. Alarmfase 1! Code Rood! Help! Help! Help!

Je wilt er omheen, links, rechts – en anders wel er overheen of er onderdoor. Je remt zo hard dat je knokkels wit uitslaan. Je verkrampt. Je schreeuwt zonder geluid uit te brengen.

Je valt.

Je vliegt door de lucht. Je weet dat het nu onvermijdelijk is. Je kunt niet meer terug. Je kunt deze val niet meer ongedaan maken. Je hoeft je niet meer te verzetten, je kunt het onheil niet meer afwenden. Je bent ineens heel rustig.

Eeuwigheid

Je verbaast je er elke keer weer over dat de tijd zo veel stroperiger wegtikt als je bezig bent te vallen. Een wielerkoers van tweehonderd kilometer is soms voorbij in een oogwenk, maar vallen duurt altijd een eeuwigheid.

Je ziet alles om je heen. De verwrongen gezichten van de renners die de grond al hebben geraakt. Nummer 147 ligt erbij, die met die spataders op zijn benen. En daar heb je je ploeggenoot. Valt altijd, die gozer. Sommige renners hebben altijd pech. Of gewoon slechte ogen.

Je ziet de madeliefjes in de berm en je telt de blaadjes – ze houdt van me, ze houdt niet van me, ze houdt van me, ze houdt niet van me. Je ziet je bidon op het beton uiteenspatten. Duizenden druppels vliegen in het rond.

Je vraagt je af hoe het afloopt, deze valpartij. Wordt het een klap? Of een klapje? Houd je er alleen een paar schaven aan over? Of breek je iets en zit je straks in de ambulance op weg naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis?

Of – godnondeju, daar moet je niet aan denken – belt er straks iemand naar je vriendin met de mededeling dat ze even moet gaan zitten. Je drukt de gedachte weg. Je moet wel.

Angst

Vallen hoort erbij, zeggen ze. Waarom ze dat zeggen, dat weet je eigenlijk niet. Je vindt dat vallen helemaal niet bij wielrennen hoort. Als dat zo was, dan zouden jullie toch wel in een ijshockeypak met extra dikke kniebeschermers op de fiets zitten en niet in een lycra broekje?

Vallen went hooguit een beetje. Na de eerste asfaltkus denk je dat je nooit meer zult lopen; na de honderdste sta je op, graai je je fiets van de grond en trap je weer door. Je ziet na de finish wel wat de schade is. Maar helemaal gewoon wordt vallen nooit. Angst is er altijd. Bij iedereen. Elke renner is bang voor de klap, bang voor de pijn.

Dit zijn de momenten dat je baalt dat je geen ander beroep hebt gekozen. Bij je pa in de zaak of zo. Of gewoon elke ochtend met je boterhamtrommel en je krantje naar kantoor, je werk doen en verder niks. Maar stiekem weet je dat je dan nog liever elke dag crasht. Liever een paar gebutste knieën dan een afgestompte hersenpan.

Je ruikt het asfalt. Het nadert. Langzaam. Maar zeker. Hoe langzaam de tijd ook tikt, terug gaat hij nooit. Je steekt je handen naar voren om de klap op te vangen. Je sluit je ogen. En je bijt op je tanden.

Daar is de pijn.

Au.

Bron: http://www.nusport.nl/thijs-zonneveld/2816460/au.html