Posted on 29 oktober 13 in Wielerproza

En toen, op een herfstdag waarop het regende van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat, waarop er drieëntwintig kilometer file stond bij knooppunt Badhoevedorp, waarop er ergens in Den Haag nog maar eens werd geruzied over een straaljager waarvan niemand wist waarvoor die nu eigenlijk precies diende, waarop Theo Janssen – och arme – met zijn kapotte knie naar zijn geraniums staarde en waarop er in het doolhof van Almere-Muziekwijk een huisvrouw met twee volle boodschappentassen verdwaalde in haar eigen straat, was hij er ineens: Bob.

Hij kwam zoals hij was verdwenen, als bij toverslag. Wat hij al die maanden in de lente en de zomer had gedaan, wist niemand. Misschien was hij wezen trainen in Lapland, in Oost-Siberië of op zijn eigen planeet, in een sterrenstelsel hier ver vandaan. Misschien had hij maandenlang in een diepe, diepe, diiiieeeeeepe zomerslaap gelegen, wachtend op de eerste vorst aan de grond en dromend van rondjes 30,4.

Je weet pas wat je mist als-ie er weer is. Ik zag hem op een ijsbaan, in een afzichtelijk groen-met-oranje superheldenpak zonder cape. Ik voelde opluchting, net als alle andere mensen langs de kant van de baan. Hij was er weer, Bob. Hij was teruggekomen, voor ons.

Winters in Nederland zijn een tantaluskwelling: het is een zichzelf repeterende serie van altijd dezelfde depressieve gebeurtenissen. We gaan van blaadjes op het spoor en niet-vertrekkende treinen via Kamervragen over het gebrek aan strooizout naar het eczeem van de kat van René Ruitenberg en de, door Unox gesponsorde en SBS6 uitgemolken, ijssituatie bij Balk.

Tussendoor discussieert iedereen die weleens een paar Friese doorlopers van dichtbij heeft gezien over skate-offs en selectiemomenten en aanwijsplekken en een prestatiematrix die op meer manieren te interpreteren is dan de Bijbel en de Koran bij elkaar. En het geheel wordt aan elkaar getetterd door dweilorkest de Lamme Toeteraars.

Skicrosser

Gelukkig hebben we Bob. Hij rijdt rondjes rechtsom op het moment dat iedereen linksom rijdt, hij gaat wandelen in de bergen als zijn concurrenten elkaar de hersenen inslaan om mee te mogen doen aan de wereldbeker van Koekalikakokavkaz, hij probeert de Olympische Spelen te halen als skicrosser, hij zet zijn muts – toevallig of expres – níet precies zo op dat de sponsor pontificaal in beeld is als hij voor een camera staat.

De winter is als de tien kilometer. Uren en uren en uren duurt die afstand. De hele godvergeten dag zit je naar schier onbekende Duitsers en Kazakken te staren met de kachel op standje te hoog, Herbert Dijkstra die er het schema van het Azerbeidzjaanse nationale record van Smirnov Wodka bijpakt en Ria Visser die tijdens de dweilpauzes zegt dat ze moeten gaan scháátsen. Soms is het net alsof de tijd zo langzaam gaat dat-ie stil staat. Dit gaat eeuwig duren, denk je.

Pas als Bob op de baan verschijnt, met zijn nooit verzurende foxyfoxtrotbenen en zijn tong op zijn schaatsen, begint de tijd weer te lopen. Pas dan ga je er weer voor zitten. Pas dan verschijnt er weer een glimlach op je gezicht.

In een ander leven, in een ander land, zou Bob superheld zijn geweest. Je had Superman gehad, Spiderman en Batman – en Bobman, de enige superheld die een heel land door de winter helpt.

Door: NUsport/Thijs Zonneveld

Beeld: ANP

….
Van Zonneveld, Lees verder op: http://www.nusport.nl/thijs-zonneveld/3607807/bobman.html